JAN BRANJE PSYCHOLOOG

PRAKTIJK VOOR PSYCHOLOGISCHE HULPVERLENING

 

PANIEKSTOORNIS

De paniekstoornis, vroeger hyperventilatie genoemd, heeft als belangrijkste kenmerk: de paniekaanval.

Een paniekaanval is het plots, zonder aanwijsbare aanleiding, optreden van 'niet goed worden of onwel worden' gepaard gaand met angst of een paniekgevoel. Tijdens een paniekaanval treden minstens vier of meer van de volgende lichamelijke verschijnselen en gevoelens op:

  • bonzend hart of overslaand hart of hartkloppingen
  • beklemmend gevoel op de borst
  • zweet breekt uit, klamme handen
  • trillen / beven
  • kortademig of moeilijk ademen (hyperventileren)
  • gevoel van stikken of brok in de keel
  • misselijkheid, maagpijn of plotse diarree
  • duizeligheid, onvast op de benen, licht gevoel in het hoofd (bang om flauw te vallen)
  • de omgeving als vreemd ervaren
  • zichzelf als vreemd ervaren of gevoel van onwerkelijkheid
  • bang voor controleverlies of gek te worden
  • bang om dood te gaan of ‘iets’ te krijgen (hartinfarct, hersenbloeding, kanker)
  • verdoofd gevoel of tintelingen in bijv.handen, lippen
  • warme opvliegers of koude rillingen.

Een tweede belangrijk kenmerk bij de paniekstoornis is dat men voortdurend bang is om een nieuwe aanval te krijgen (anticipatieangst genoemd).
Dit is dan ook dikwijls de reden waarom men allerlei situaties vermijdt. Men noemt dit
agorafobie.

Het is dus niet zo dat men alle klachten moet hebben. Ook kan het dat bepaalde klachten wel eens verschuiven en dat men meer last heeft van enkele anderen, en dat andere klachten wegblijven.
Sommige mensen met een paniekstoornis zijn zo bang voor een nieuwe aanval dat ze bepaalde situaties gaan vermijden (agorafobie). Naast vermijding is er ook dikwijls sprake van
anticipatieangst en hypochondrische gedachten.

 

SOCIALE ANGST

Sociale ANGST (of sociale fobie) kenmerkt zich doordat men in situaties met andere mensen (vreemden en/of bekenden) bang is om bekeken te worden, te blozen, te trillen, te stotteren, kritiek te krijgen of de verkeerde dingen te doen of te zeggen. Allerlei sociale situaties worden hierdoor vermeden of men zoekt/bedenkt redenen/uitvluchten om ze vermijden. Sommige mensen met een sociale fobie drinken dikwijls alcohol of gebruiken kalmeermiddelen om bepaalde situaties aan te kunnen.
Ook sociaal fobici hebben last van
anticipatieangst.

Onder de sociale angst behoren enkele meest voorkomende fobieën zoals:

  • Tril- of beeffobie: men is dan bang in gezelschap te beven. Iedereen zou kunnen zien dat je beeft, waardoor je het idee krijgt dat anderen van je kunnen denken dat je onzeker bent. Het beven komt komt dan vaak voor in situaties zoals: op een receptie, bij een etentje, bij het schrijven terwijl men op je vingers kijkt.
  • Zweten: als mensen zien dat je zweet zou dit de indruk kunnen wekken dat je onzeker bent.
  • Blozen: iedereen bloost wel eens. Iemand met een sociale angst beschouwt blozen als ‘onzekerheid’. Men is dan ook bang om te blozen.
  • Verkeerde dingen zeggen of doen.

De meeste mensen met een sociale angst hebben een laag zelfbeeld en voelen zich minderwaardig en onzeker. Ze letten vooral op zaken die niet kunnen.
Dikwijls is er sprake van een: verhoogd zelfbewustzijn, vermijding, geremd sociaal gedrag.

Verhoogd zelfbewustzijn: zij zijn zich in sociale situaties overmatig bewust van zichzelf en hebben te weinig aandacht voor de ander en voor de sociale taak. Dit verhoogde zelfbewustzijn voedt sociaalgerelateerde emoties als schaamte en verlegenheid, leidt tot de neiging tot negatieve zelfevaluatie en het zichzelf bovenmatig verantwoordelijk maken voor de uitkomst van gebeurtenissen, en interfereert met het sociaal functioneren.
Vermijding: Uit angst voor de verwachte catastrofes vermijdt de patiënt bepaalde situaties of bepaald gedrag dat corrigerende informatie zou kunnen geven.
Geremd sociaal gedrag: het hoge angstniveau stoort het optimaal functioneren en leidt veelal tot geremd sociaal gedrag. Hierdoor zal men zichzelf meer negatief evalueren en zullen anderen minder positieve reacties geven dan wanneer men zonder angst zou functioneren.

 

HYPERVENTILATIE


Vandaag nog spreekt men dikwijls van hyperventileren. Hyperventileren is snel en kort achter elkaar ademen. Omdat de meeste paniekaanvallen met hyperventileren gepaard gaan, heeft men dit vroeger hyperventileren genoemd.

Hyperventileren is geen ziekte of aandoening. Hyperventileren is een verschijnsel (een symptoom) dat bij een paniekaanval kan optreden. Niet iedere paniekpatiënt hyperventileert. Bij dit hyperventileren zou er sprake zijn van een tekort aan CO2 (koolzuur, hetgeen je dus uitademt). Vandaar het advies van het ‘plastiekzakje’.

Pas later, na 20 jaar wetenschappelijk onderzoek, heeft men vastgesteld dat het niet een tekort, maar een overgevoeligheid voor CO2 is. Mensen met een paniekstoornis zijn meestal gevoelig voor CO2 . Men heeft dit kunnen aantonen door mensen met een paniekstoornis kamerlucht (met extra CO2 toegevoegd) te laten inademen. Men noemt dit de CO2 inhalatie-test. Vlak daarna traden er paniekklachten op.

Men heeft het vermoeden dat er in de hersenen een soort detector is. Een apparaatje dat bij stijging van het CO2 gehalte in bloed, afgaat. Het afgaan zou dan medeverantwoordelijk zijn voor een snellere ademhaling.
Dit betekent dus dat het ‘plastiekzakje’ geen goed advies is, en zelfs een paniekaanval zou kunnen uitlokken. Want bij het ademen in een plastiekzakje STIJGT het CO2 gehalte in het bloed.

Hyperventileren is ook het gevolg van een psychologisch gebeuren, namelijk: denken. Als men denkt ‘ik krijg geen lucht meer’ of ‘ik ga stikken’, dan is het logisch dat men sneller wil ademen om voldoende lucht te krijgen.

Hyperventileren is dus duidelijk een combinatie van verschillende factoren.

 

GEGENERALISEERDE ANGSTSTOORNIS (GAS)

Deze vorm van angststoornis wordt door enkele onderzoekers als omstreden beschouwd omwille van het feit dat deze angststoornis als duidelijk apart omschreven ziektebeeld kennelijk minder vaak voorkomt. Wel blijkt dat de symptomen van de GAS dikwijls bij andere angststoornissen aanwezig zijn.
Anderen beweren dat de GAS een duidelijk aparte angststoornis is.

Bij de paniekstoornis is er sprake van een steeds terugkerende hevige angst, ook in de vorm van paniekaanvallen. Bij een gegeneraliseerde angststoornis is de angst minder hevig, maar meer voortdurend aanwezig. Bovendien is er bij GAS niet sprake van een ‘dreiging’ om een paniekaanval te krijgen.

Het meest opvallende symptoom bij de GAS is dat de betrokkene een chronische zenuwachtige tobber (piekeraar) is. Er is sprake van een overmatige angst en zorg waarop de betrokkene weinig of geen greep meer heeft. Deze angst en zorg gaan samen met (minstens drie) van de volgende verschijnselen:

  • rusteloosheid, op scherp staan, verhoogde alertheid, opgejaagdheid, niet kunnen stilzitten;
  • snel vermoeid zijn;
  • concentratievermindering;
  • verhoogde prikkelbaarheid, geïrriteerdheid;
  • spierspanning met dikwijls pijnlijke spieren (nek, rug, armen);
  • in- en doorslaapmoeilijkheden, niet uitgerust gevoel hebben;
  • voortdurend bezorgend piekeren en de buitensporige ongegronde angst dat er allerlei nare dingen kunnen gebeuren.

Deze klachten moeten minsten zes maanden aanwezig zijn. Dikwijls zijn mensen met een gegeneraliseerde angststoornis tevens depressief.

Het piekeren dient dikwijls om angstopwekkende ervaringen te vermijden.

 

DWANGSTOORNIS OF
OBSESSIEF COMPULSIEVE STOORNIS (OCS)

De naam van de dwangstoornis komt van de twee belangrijkste symptomen: dwanggedachten (obsessies) en dwanghandelingen (compulsieve handelingen).

Dwanggedachten zijn ongewenste, zich opdringende gedachten of voorstellingen die uit de persoon zelf voortkomen, maar die hij/zij niet onder controle lijkt te kunnen houden. Ze komen als het ware buiten je wil om. Omdat de dwanggedachten steeds maar weer terugkomen, kunnen ze heel veel angst veroorzaken.

Dwanghandelingen zijn steeds terugkerende handelingen of rituelen die de patiënt uitvoert om de angst te verminderen die door zijn dwanggedachten wordt opgeroepen.

Smetvrees en poetsdwang zijn hiervan bekende voorbeelden. Andere vaak voorkomende dwanghandelingen zijn: tellen, controleren, dingen steeds weer recht of 'goed' zetten, geruststelling vragen of eisen en herhaaldelijk dezelfde handelingen verrichten. Ofwel geeft men toe aan de dwanghandeling of men zal bepaalde situaties / omstandigheden gaan vermijden.

Mensen met een dwangprobleem investeren zeer veel tijd in hun dwang waardoor vaak vermoeidheid tot zelfs uitputting het gevolg kan zijn. Vooral dwangrituelen kunnen dermate veel tijd in beslag (voortdurend herhalen) dat er voor andere levensdoelen geen ruimte/tijd overblijft (zoals sociale contacten, relatie, vrije tijd, hobby e.d.m.). Mensen met een dwangstoornis weten dat hun gedachten en gedrag ‘niet normaal, onterecht en overdreven’ is.

Veel mensen met dwang komen niet in de hulpverlening terecht. Hun ‘overtuiging’ dat bepaalde zaken ‘zo nu eenmaal horen’, maakt dat er soms geen ziekte-inzicht is waardoor de dwang toeneemt zowel in ernst als in hardnekkigheid. Een voorstel voor behandeling wordt dan ook afgewezen. Indien de betrokkene dan door zijn omgeving tot een behandeling wordt gedwongen, zal deze ook meestal falen.

Ook de familieleden worden dikwijls bij de dwanghandelingen betrokken, waardoor er relatieproblemen kunnen ontstaan. Bij de behandeling is het dan ook dikwijls noodzakelijk dat familieleden (het gezin) bij de behandeling worden betrokken.

 

ANTICIPATIEANGST

Anticipatieangst betekent letterlijk: vooraf zich angstig maken.

De meeste mensen met een angststoornis hebben last van anticipatieangst. De manier hoe deze anticipatie wordt geuit is verschillend.

Bij de paniekstoornis gaat het dikwijls om ‘angst om de angst’. Ze anticiperen (= lopen vooruit) op gevreesde situaties en zeggen dan ook vaak ‘als ik HET maar niet daar krijg’. Met HET wordt dan meestal een paniekaanval, of zich slecht voelen of bepaalde lichamelijke klachten krijgen, bedoeld. Anticipatieangst wordt ook vaak gekleurd door de dreiging van controleverlies. Dit controleverlies richt zich dan op meestal op volgende thema’s:

  • Bang voor lichamelijk controleverlies zoals het krijgen van ‘iets’ (hartinfarct, hersenbloeding, kanker, flauwvallen). Men laat dan ook vaak allerlei onderzoeken doen of consulteerd regelmatig de huisarts. Omdat er doorgaans geen lichamelijke ziekte wordt vastgesteld wordt men onzeker en nog angstiger.
  • Bang voor psychisch controleverlies waarbij men vooral gedachten heeft als ‘ik word toch niet gek!’. Bang niet meer helder kunnen denken en domme of vreemde dingen te gaan doen.
  • Aansluitend op vorige kan er dan een angst voor gedragscontrole ontstaan. Bang vreemd te doen, zichzelf of anderen iets aan te doen of gewoon in volkstaal ‘door het lint gaan’.
  • In het verlengde van vorige is men dan ook bang in sociaal opzicht, waarbij schaamte en schuldgevoel een rol spelen. ‘Anderen denken dat ik gek ben of doe’.

Mensen met een paniekstoornis hebben ook voortdurend hun aandacht op hun lichaam gericht. Als het ware ‘oplettend’ of HET niet komt en/of ze geen lichamelijke klachten krijgen. De hierdoor uitgelokte paniekgevoelens bevestigen dan ook dat HET steeds kan komen.

Veel paniekpatienten hebben last van 'angst om de angst'. Bang om weer een (paniek) aanval te krijgen. Tevens reageren ze dikwijls angstig op bepaalde informatie die met hun klachten is gerelateerd. Bijvoorbeeld: het zien van beelden, film of dergelijke kan angst oproepen.

Mensen met een dwangstoornis, een sociale fobie, een posttraumatische stressstoornis en gegeneraliseerde angststoornis hebben last van anticipatieangst. Deze angst houdt hun dagelijks bezig en belemmerd hun dagelijks functioneren.

 

AGORAFOBIE

Letterlijk betekent agorafobie pleinvrees. Bij agorafobie als gevolg van een paniekstoornis beperkt zich het vermijdingsgedrag echter niet tot pleinvrees. Allerlei situaties kunnen angst oproepen. Winkels, bioscoop, in een lange rij wachten, restaurant, markt, alleen reizen met de auto, trein of bus of ver van huis weg gaan. Meestal zijn dit situaties waarbij men meent niet te kunnen ontsnappen, of dat het krijgen van hulp moeilijk of niet mogelijk is. Agorafobie kan ook bij andere angststoornissen voorkomen, hierbij speelt echter niet de angst voor 'weer' een aanval te krijgen een rol.

Agorafobie kan ook al enkelvoudige fobie voorkomen, echter zelden. Men spreekt dan ook van paniekstoornis zonder agorafobie.

Het agorafobisch vermijdingsgedrag bij mensen met een paniekstoornis kan zich op verschillende manieren uiten. Vaak zien we dat het vermijdingsgedrag zich als een spiraal vergroot. Steeds meer situaties worden vermeden totdat de betrokkene NERGENS meer nog ALLEEN naar toe gaat. We spreken dan van gegeneraliseerd vermijdingsgedrag. Een vermijdingsgedrag in die ernstige mate beperkt de levensvrijheid (het is een vorm van vrijheidsberoving) waardoor de betrokkene alle contacten met zijn omgeving verliest en zich isoleert. Het is dan niet uitgesloten dat er naast de paniekstoornis zich tevens een depressie ontwikkeld. Naast de angst voelt zich de betrokkene steeds meer somber en lusteloos worden, kan nog nauwelijks of geen plezier meer in de ‘gewone dagelijkse dingen’ beleven met gedachten als ‘als het zo verder moet hoeft het voor mij niet meer’.

Vaak komt men dan met laatstgenoemde klachten bij de huisarts (of een hulpverlener) waardoor het niet uitgesloten is dat een verkeerde diagnose kan worden gesteld, namelijk depressie.

Enkele typische situaties/plaatsen die worden vermeden:

  • Ver van huis weg gaan
  • Drukke winkels, grootwarenhuizen of shoppingcentra
  • Bus, trein of tram
  • Met de auto op een autosnelweg rijden
  • Wandelen in het bos, pretpark of kinderboerderij
  • Wachtplaatsen (huisarts, tandarts, kapper)

 

HYPOCHONDRIE (ziektevrees)

Letterlijk vertaald betekent hypochondrie ziektevrees. Veel mensen met een paniekstoornis hebben last van gedachten dat ze een ziekte hebben of krijgen. Bijvoorbeeld: bij hartkloppingen en een voortdurend drukkend gevoel op de borst denkt men aan het krijgen van een hartinfarct of ooit een hartaanval te krijgen. Bij duizeligheid denkt men bijvoorbeeld aan een hersenbloeding of kanker.

Mensen met een paniekstoornis laten zich ook meermalen lichamelijk onderzoeken, bang dat ze toch een ziekte hebben. Geruststelling dat er niets aan de hand is, helpt dikwijls niet. Integendeel, vaak roept het meer angst en onzekerheid op, als de betrokkene te horen krijgt ‘er is niets lichamelijks aan de hand’. Men refereert dan toch naar ‘ja, maar ik voel het toch steeds’ (zie ook: anticipatieangst).

Er dient een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen hypochondrisch reageren bij paniekstoornisklachten en de hypochondrie in engere zin.
Het verschil is meestal duidelijk te merken aan de typisch lichamelijke klachten waarbij men bang is een ziekte te hebben.

Bij paniekstoornis gaat het meestal om:
- hartklachten (t.g.v. hartkloppingen en een drukkend gevoel op de borst);
- hersenbloeding of kanker (t.g.v. duizeligheid en/of vreemde ijle gevoelens in het hoofd);
- buik of maagziekte of kanker (t.g.v. misselijkheid met soms braken);
- verlamming of zenuwziekte (t.g.v. vreemde tintelingen of verdovende gevoelens in de benen of elders).

Bij hypochondrie in engere zin is de betrokkene voortdurend bezig (bang voor, overtuiging het te hebben) met het mogelijk krijgen van allerlei ziekten van verschillende aard, zonder dat hierbij van paniekklachten of paniekaanvallen sprake hoeft te zijn. Allerlei lichamelijke klachten of signalen worden dan ook als ‘het hebben of krijgen’ van een ziekte opgevat (geïnterpreteerd). Bovendien wil de betrokkene middels allerlei onderzoeken persé het bewijs van het hebben of krijgen van ziekte bewijzen of bewezen krijgen.

 

POSTTRAUMATISCHE STRESS-STOORNIS (PTSS)

Als gevolg van een ingrijpende gebeurtenis uit het korte of lange verleden kunnen zich angstklachten ontwikkelen. De klachten onderscheiden zich in drie groepen:

  • klachten met betrekking tot herbeleving;
  • tot vermijding
  • en tot verhoogde waakzaamheid.

Herbeleving van de traumatische gebeurtenis gebeurt op ten minste één van de volgende manieren:

  • De herinnering aan de gebeurtenis komen op opdringende wijze steeds terug.
  • Terugkerende, beangstigende dromen over de gebeurtenis.
  • Een plotseling handelen of voelen alsof de gebeurtenis plaatsvond.
  • Bij blootstelling aan gebeurtenissen die (sterk) lijken op de traumatische gebeurtenis ervaart de betrokkene een intens psychisch lijden.
  • De betrokkene reageert met lichamelijke verschijnselen bij confrontatie met gebeurtenissen die lijken op het oorspronkelijke trauma.

De vermijding komt tot uiting doordat men allerlei pogingen doet om gesprekken, gedachten en situaties die met het trauma verband hebben (of er op lijken) tracht te vermijden.

Tevens zijn er dikwijls klachten van:

  • slaapmoeilijkheden
  • het minder of niet meer kunnen uiten van gevoelens
  • weinig of geen toekomst-verwachtingen meer hebben
  • prikkelbaarheid
  • moeite met concentreren
  • overmatige waakzaamheid
  • overdreven schrikreacties

Oops! This site has expired.

If you are the site owner, please renew your premium subscription or contact support.